Bom, bom,
Bom, bom,
Wie kan er horen
De klokken op de toren?
Wie horen alom
Het klokkengebrom?
Het windje, de bomen,
Het kindje in zijn dromen:
De maan en de sterren
Die horen ’t van verre.

vlug en geheimzinnig
De torenuil, die vliegt voorbij,
Die hoort het van heel dichtebij.
Die kunnen horen
De klokken op de toren,

aldoor langzamer, uitvloeiend
Die horen alom
Het klokkengebrom,
Gebom - bom
Bom.

J.M. Bruinier
Wie kan er horen . . .

O Oefening

delen op Facebookdelen via LinkedIndelen via Twitterdelen op Google+doorsturen per mail