Wij vogels, wij trekken naar ’t Zuiden met spoed,
Wij volgen de lokroep, die klopt in ons bloed.
Zijn hier in het najaar de luchten zo kil,
Ontwaakt weer tot reizen en trekken de wil.

Ons lokken de luchten, die zoel zijn en zacht.
De vleugels verlangen te werken met kracht,
Te heffen omhoog ons in vliegende vlucht,
Te dragen ons hoog door de stromende lucht.

De lichtende lucht is het klaar element,
Waar iedere troep wel zijn richting in kent.
Zo los van de aarde, zo vrij in de lucht,
Is ’t één wil, die werkt door de troep in de vlucht.

Zijn mensen des winters het liefst in hun huis,
Wij voelen in ’t stromende luchtruim ons thuis.
Heel ver van ons nest in een warmer gebied,
Genieten we graag, wat de aarde ons biedt.

Maar zendt weer het voorjaar van huis ons een groet,
Dan vormen wij vogels als wolken een stoet.
En keren naar huis weer met krachtige slag,
Wij wijlen bij nacht en wij vliegen bij dag,
Totdat op de aard weer de plek is bereikt,
Waar nest’len en broeden ons leven verrijkt.

T. H.-H.
Wij vogels, wij trekken

De Trekvogels

delen op Facebookdelen via LinkedIndelen via Twitterdelen op Google+doorsturen per mail